Geplaatst op 11 Reacties

Nederlands 2.3

Nederlands 2.3


Vitaminstore.nl

De beste Nederlandse online gezondheidswinkel voor:

Veel mensen zoeken naar:

==>> Bezoek Vitaminstore.nl



 
#Nederlands 2.3 –

lk leer Nederlands

Extra oefenen (extra exercises)

Verleden-tijd- imperfectum
Gisteren ____________ ik pas om 11 uur wakker.
Ik ____________ me dus verslapen.
Ik ____________ werken.
Snel ____________ ik uit mijn bed.
Eerst ____________ ik mijn kleren aan.
Ik ____________ geen tijd om mezelf te douchen.
Ik ____________ de trap af naar beneden.
Snel ____________ ik een beker melk leeg.
Ik ____________ naar buiten.
Daar ____________ mijn fiets.
Snel ____________ ik naar het kantoor.
Op mijn werk ____________ mijn chef boos op mij.
Ik ____________ een belangrijke afspraak met een nieuwe klant. Die afspraak ____________ ik gemist.
De nieuwe klant ____________ een uur op mij gewacht.
Daarna ____________ hij vertrokken.
Gelukkig ____________ ik het telefoonnummer van deze klant. Op mijn werk ____________ ik toen deze klant.
Ik ____________ deze klant alles uit.
Ik ____________ mijn excuses aan.
Toen ____________ we een nieuwe afspraak.
Mijn chef ____________ dat ik me nooit meer mocht verslapen.

Antwoorden (answers)

Gisteren werd ik pas om 11 uur wakker.
Ik had me dus verslapen.
Ik moest werken.
Snel ging ik uit mijn bed.
Eerst trok ik mijn kleren aan.
Ik had geen tijd om mezelf te douchen.
Ik liep de trap af naar beneden.
Snel dronk ik een beker melk leeg.
Ik ging / liep naar buiten.
Daar stond mijn fiets.
Snel fietste/ging ik naar het kantoor.
Op mijn werk was mijn chef boos op mij.
Ik had een belangrijke afspraak met een nieuwe klant. Die afspraak had ik gemist.
De nieuwe klant had een uur op mij gewacht.
Daarna was hij vertrokken.
Gelukkig had ik het telefoonnummer van deze klant. Op mijn werk belde ik toen deze klant.
Ik legde deze klant alles uit.
Ik bood mijn excuses aan.
Toen maakten we een nieuwe afspraak.
Mijn chef zei dat ik me nooit meer mocht verslapen.


Vitaminstore.nl

De beste Nederlandse online gezondheidswinkel voor:

Veel mensen zoeken naar:

==>> Bezoek Vitaminstore.nl



 

11 gedachten over “Nederlands 2.3

  1. Heel erg bedankt Seydo, Jij weet niet hoeveel mensen je helpt met deze videos.

  2. Dank u, mijnheer. Gelieve meer stadia van de Nederlandse taal te publiceren, maar er is een notitie, toon de alineanummers.

  3. Kitap kaynaklarina ulasamayan turkiyedekiler icin cok guzel olmus.devam ederseniz seviniriz.

  4. Aandoen
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik doe aan
    jij doet aan
    hij doet aan
    wij doen aan
    jullie doen aan
    zij doen aan

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik deed aan
    jij deed aan
    hij deed aan
    wij deden aan
    jullie deden aan
    zij deden aan

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb aangedaan
    jij hebt aangedaan
    hij heeft aangedaan
    wij hebben aangedaan
    jullie hebben aangedaan
    zij hebben aangedaan

    Ankomen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik kom aan
    jij komt aan
    hij komt aan
    wij komen aan
    jullie komen aan
    zij komen aan

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik kwam aan
    jij kwam aan
    hij kwam aan
    wij kwamen aan
    jullie kwamen aan
    zij kwamen aan

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik ben aangekomen
    jij bent aangekomen
    hij is aangekomen
    wij zijn aangekomen
    jullie zijn aangekomen
    zij zijn aangekomen

    Aflopen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik loop af
    jij loopt af
    hij loopt af
    wij lopen af
    jullie lopen af
    zij lopen af

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik loopte af
    jij loopte af
    hij loopte af
    wij loopten af
    jullie loopten af
    zij loopten af

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb afgeloopt
    jij hebt afgeloopt
    hij heeft afgeloopt
    wij hebben afgeloopt
    jullie hebben afgeloopt
    zij hebben afgeloopt

    Aanvragen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik vraag aan
    jij vraagt aan
    hij vraagt aan
    wij vragen aan
    jullie vragen aan
    zij vragen aan

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik vroeg aan; vraagde aan
    jij vroeg aan; vraagde aan
    hij vroeg aan; vraagde aan
    wij vroegen aan; vraagden aan
    jullie vroegen aan; vraagden aan
    zij vroegen aan; vraagden aan

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb aangevraagd
    jij hebt aangevraagd
    hij heeft aangevraagd
    wij hebben aangevraagd
    jullie hebben aangevraagd
    zij hebben aangevraagd

    Afwassen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik was af
    jij wast af
    hij wast af
    wij wassen af
    jullie wassen af
    zij wassen af
    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik waste af
    jij waste af
    hij waste af
    wij wasten af
    jullie wasten af
    zij wasten af

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb afgewast
    jij hebt afgewast
    hij heeft afgewast
    wij hebben afgewast
    jullie hebben afgewast
    zij hebben afgewast

    bakken
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik bak
    jij bakt
    hij bakt
    wij bakken
    jullie bakken
    zij bakken

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik bakte
    jij bakte
    hij bakte
    wij bakten
    jullie bakten
    zij bakten

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb gebakken
    jij hebt gebakken
    hij heeft gebakken
    wij hebben gebakken
    jullie hebben gebakken
    zij hebben gebakken

    Beginnen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik begin
    jij begint
    hij begint
    wij beginnen
    jullie beginnen
    zij beginnen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik begon
    jij begon
    hij begon
    wij begonnen
    jullie begonnen
    zij begonnen

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik ben begonnen
    jij bent begonnen
    hij is begonnen
    wij zijn begonnen
    jullie zijn begonnen
    zij zijn begonnen

    Begrijpen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik begrijp
    jij begrijpt
    hij begrijpt
    wij begrijpen
    jullie begrijpen
    zij begrijpen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik begreep
    jij begreep
    hij begreep
    wij begrepen
    jullie begrepen
    zij begrepen

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb begrepen
    jij hebt begrepen
    hij heeft begrepen
    wij hebben begrepen
    jullie hebben begrepen
    zij hebben begrepen

    Behangen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik behang
    jij behangt
    hij behangt
    wij behangen
    jullie behangen
    zij behangen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik behangde
    jij behangde
    hij behangde
    wij behangden
    jullie behangden
    zij behangden

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb behangd
    jij hebt behangd
    hij heeft behangd
    wij hebben behangd
    jullie hebben behangd
    zij hebben behangd

    Bewegen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik beweeg
    jij beweegt
    hij beweegt
    wij bewegen
    jullie bewegen
    zij bewegen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik bewoog
    jij bewoog
    hij bewoog
    wij bewogen
    jullie bewogen
    zij bewogen

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb bewogen
    jij hebt bewogen
    hij heeft bewogen
    wij hebben bewogen
    jullie hebben bewogen
    zij hebben bewogen

    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik doe aan
    jij doet aan
    hij doet aan
    wij doen aan
    jullie doen aan
    zij doen aan

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik deed aan
    jij deed aan
    hij deed aan
    wij deden aan
    jullie deden aan
    zij deden aan

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb aangedaan
    jij hebt aangedaan
    hij heeft aangedaan
    wij hebben aangedaan
    jullie hebben aangedaan
    zij hebben aangedaan

    Ankomen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik kom aan
    jij komt aan
    hij komt aan
    wij komen aan
    jullie komen aan
    zij komen aan

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik kwam aan
    jij kwam aan
    hij kwam aan
    wij kwamen aan
    jullie kwamen aan
    zij kwamen aan

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik ben aangekomen
    jij bent aangekomen
    hij is aangekomen
    wij zijn aangekomen
    jullie zijn aangekomen
    zij zijn aangekomen

    Aflopen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik loop af
    jij loopt af
    hij loopt af
    wij lopen af
    jullie lopen af
    zij lopen af

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik loopte af
    jij loopte af
    hij loopte af
    wij loopten af
    jullie loopten af
    zij loopten af

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb afgeloopt
    jij hebt afgeloopt
    hij heeft afgeloopt
    wij hebben afgeloopt
    jullie hebben afgeloopt
    zij hebben afgeloopt

    Aanvragen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik vraag aan
    jij vraagt aan
    hij vraagt aan
    wij vragen aan
    jullie vragen aan
    zij vragen aan

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik vroeg aan; vraagde aan
    jij vroeg aan; vraagde aan
    hij vroeg aan; vraagde aan
    wij vroegen aan; vraagden aan
    jullie vroegen aan; vraagden aan
    zij vroegen aan; vraagden aan

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb aangevraagd
    jij hebt aangevraagd
    hij heeft aangevraagd
    wij hebben aangevraagd
    jullie hebben aangevraagd
    zij hebben aangevraagd

    Afwassen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik was af
    jij wast af
    hij wast af
    wij wassen af
    jullie wassen af
    zij wassen af
    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik waste af
    jij waste af
    hij waste af
    wij wasten af
    jullie wasten af
    zij wasten af

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb afgewast
    jij hebt afgewast
    hij heeft afgewast
    wij hebben afgewast
    jullie hebben afgewast
    zij hebben afgewast

    bakken
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik bak
    jij bakt
    hij bakt
    wij bakken
    jullie bakken
    zij bakken

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik bakte
    jij bakte
    hij bakte
    wij bakten
    jullie bakten
    zij bakten

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb gebakken
    jij hebt gebakken
    hij heeft gebakken
    wij hebben gebakken
    jullie hebben gebakken
    zij hebben gebakken

    Beginnen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik begin
    jij begint
    hij begint
    wij beginnen
    jullie beginnen
    zij beginnen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik begon
    jij begon
    hij begon
    wij begonnen
    jullie begonnen
    zij begonnen

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik ben begonnen
    jij bent begonnen
    hij is begonnen
    wij zijn begonnen
    jullie zijn begonnen
    zij zijn begonnen

    Begrijpen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik begrijp
    jij begrijpt
    hij begrijpt
    wij begrijpen
    jullie begrijpen
    zij begrijpen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik begreep
    jij begreep
    hij begreep
    wij begrepen
    jullie begrepen
    zij begrepen

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb begrepen
    jij hebt begrepen
    hij heeft begrepen
    wij hebben begrepen
    jullie hebben begrepen
    zij hebben begrepen

    Behangen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik behang
    jij behangt
    hij behangt
    wij behangen
    jullie behangen
    zij behangen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik behangde
    jij behangde
    hij behangde
    wij behangden
    jullie behangden
    zij behangden

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb behangd
    jij hebt behangd
    hij heeft behangd
    wij hebben behangd
    jullie hebben behangd
    zij hebben behangd

    Bewegen
    Present
    Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
    ik beweeg
    jij beweegt
    hij beweegt
    wij bewegen
    jullie bewegen
    zij bewegen

    Past
    Onvoltooid verleden tijd [o v t]
    ik bewoog
    jij bewoog
    hij bewoog
    wij bewogen
    jullie bewogen
    zij bewogen

    Present Perfect
    Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
    ik heb bewogen
    jij hebt bewogen
    hij heeft bewogen
    wij hebben bewogen
    jullie hebben bewogen
    zij hebben bewogen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *