Op zoek naar hét middel tegen Covid-19

Chinese virusexperts zijn het er „unaniem” over eens dat chloroquine, een oud middel tegen malaria, een plaats moet krijgen in de behandeling van Covid-19, de ernstige infectieziekte die veroorzaakt wordt door het nieuwe coronavirus SARS-CoV2. Dat meldde Sun Yanrong, expert van het China National Center for Biotechnology Development vorige week op een persconferentie in Beijing. Ze refereerde aan klinische studies die gaande zijn in China waarin het middel intussen bij ruim honderd patiënten is geprobeerd; ze zouden na een week minder hoge koorts hebben, een minder ernstige longontsteking ontwikkelen en sneller virusvrij zijn dan patiënten die het middel niet hadden gekregen. Maar de resultaten van het onderzoek zijn nog niet gepubliceerd.

Er is in China een omvangrijk aantal proeven met experimentele behandelingen tegen Covid-19 op gang gekomen. Behalve chloroquine worden ook griepremmers, hiv-remmers, interferonen (bepaalde eiwitten die een rol spelen in het immuunsysteem) en kruidenpreparaten uit de traditionele Chinese geneeskunde beproefd, zo blijkt uit het Chinese register van klinische geneesmiddelenproeven. Het aantal aangemelde studies loopt al tegen de tweehonderd en nog dagelijks komen er nieuwe bij. Tientallen studies testen het effect van chloroquine bij Covid-19-patiënten, al dan niet in vergelijking met andere experimentele behandelingen of in combinatie met andere therapieën.

Dodelijke epidemie

In 2004 ontdekte de Belgische viroloog Marc van Ranst van de KU Leuven dat chloroquine in menselijke cellen de groei kan remmen van het SARS-virus, een ander type coronavirus dat in 2003 een dodelijke epidemie veroorzaakte. Het was destijds niet meer mogelijk om te bestuderen of het middel ook inderdaad iets tegen de ziekte zou uitrichten in patiënten, aangezien de SARS-epidemie alweer voorbij was.


Lees meer over het coronavirus: alle vragen en antwoorden over de epidemie

Hoe de antivirale werking van chloroquine in elkaar steekt, is ook nog niet helemaal opgehelderd. De stof verhoogt de zuurgraad in onderdelen van de gastheercel, waardoor het virus zich moeilijker kan vermeerderen, en zet mogelijk andere suikermoleculen op de receptor waarlangs het virus de gastheercel binnendringt, waardoor dat moeilijker gaat. Daarnaast dempt chloroquine de overdreven afweerreactie die het leven van patiënten in gevaar kan brengen.

Onderzoekers van het Wuhan Instituut voor Virologie pakten dit op. Eind januari publiceerden ze een kort artikel in Cell Research waarin ze lieten zien dat chloroquine in celkweken ook de groei van SARS-CoV2 kan remmen. En dat bij concentraties die niet giftig zijn voor mensen. „Chloroquine is een veilig en goedkoop geneesmiddel dat al meer dan zeventig jaar gebruikt wordt”, schrijven ze. „Het is potentieel klinisch te gebruiken tegen het nieuwe coronavirus.” Nog geen vijf dagen na die publicatie begon het Sun Yat Sen Memorial Hospital in Guangdong al met de eerste studie naar het middel bij Covid-19-patiënten. Tientallen anderen volgden en diverse Chinese farmabedrijven kondigden aan dat zij de sluimerende productie van chloroquine fors zouden gaan opvoeren.

Maar chloroquine is „geen wondermiddel” tegen Covid-19, waarschuwde Zhong Nanshan, een vooraanstaande viroloog die leiding geeft aan de Chinese inspanningen om de epidemie te bestrijden. Zhong liet erop volgen dat hij zelf meer zag in de behandeling van patiënten met kiemvrij bloedplasma van mensen die al hersteld zijn. Dat bevat namelijk antistoffen die het virus doden. Die behandeling is vaker geprobeerd bij bijvoorbeeld ebola en dodelijke griepvirussen, maar gedegen bewijs dat dit goed werkt ontbreekt nog. Dat de uitkomst ongewis is, blijkt ook uit het feit dat er slechts een handvol klinische studies is aangemeld waarin het heilzame effect van bloedplasma tegen Covid-19 wordt onderzocht.

Bestaande virusremmers

Veel hoopgevender voor de korte termijn lijkt het inzetten van virusremmers die al voor andere virusziekten op de markt zijn. Het voordeel van deze repurposed medicines is dat de veiligheid ervan al is onderzocht en dat de studies zich dus op de effectiviteit van het middel kunnen richten. Het gaat om zogeheten proteaseremmers en nucleotide-analogen. De eerste categorie blokkeert de enzymen die het virus nodig heeft om zijn eiwitmantel te maken. De tweede categorie blokkeert het vermogen van het virus om zijn genetische materiaal te kopiëren. Deze middelen zijn al eerder beproefd bij SARS en MERS. Zo bleek de combinatie van de hiv-remmers lopinavir en ritonavir (beide proteaseremmers) in 2003 bij SARS-patiënten de ernst van de ziekte en de kans op sterfte te verminderen. Een tiental studies in China hebben deze combinatie opgenomen in hun protocol, en ook in Japan is men van plan deze medicijnen tegen Covid-19 te testen. Buiten studieverband werden Covid-19-patiënten met deze combinatie behandeld in Duitsland en Zuid-Korea (waar lopinavir en ritonavir eerder al tegen MERS waren gebruikt).

Veel tijd zit in onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van een vaccin

In China is ook een grote studie begonnen met de experimentele virusremmer remdesivir, ter beschikking gesteld door het Amerikaanse bedrijf Gilead. Dat had het oorspronkelijk ontwikkeld als geneesmiddel tegen ebola, maar daartegen werkte het niet goed. De hoop is dat het SARS-CoV2 wel kan aanpakken, zoals bleek uit de celproeven die de virologen uit Wuhan uitvoerden tegelijk met hun chloroquine-onderzoek. Een casestudy van de eerste coronaviruspatiënt in de VS die met remdesivir werd behandeld en herstelde, gepubliceerd in The New England Journal of Medicine, wakkerde de interesse verder aan. De bedoeling is dat de werkzaamheid tegen Covid-19 nu in een voor artsen en patiënten geblindeerde studie met 761 patiënten in Wuhan verder zal worden onderzocht. Omdat de situatie zo nijpend is, zal tweederde van de deelnemers remdesivir krijgen, terwijl de rest de standaardbehandeling krijgt. Pas na afloop van de proef, eind april, zal duidelijk worden of het middel helpt.

In plaats van mensen te behandelen die ziek zijn zou je natuurlijk het liefst willen voorkómen dat mensen ziek worden. Dat kan met een vaccin, dat ervoor zorgt dat mensen al antistoffen tegen het virus hebben voordat ze ermee in aanraking komen.

Vaccinontwikkeling duurt lang

Maar de ontwikkeling van een vaccin gaat lang duren. „Reken op zeker anderhalf jaar”, zei Tedros Adhanom Ghebreyesus, directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO, eerder deze maand. „Eigenlijk duurt vaccinontwikkeling veel te lang om goed te kunnen anticiperen op dit soort onverwachte en zich snel verbreidende uitbraken”, zegt viroloog Berend-Jan Bosch van de Universiteit Utrecht. „Dat zagen we in 2003 met SARS, waarbij ook in allerijl geprobeerd werd vaccins te ontwikkelen. Toen de eerste vaccins goed en wel gereed waren, was de epidemie al voorbij. Daarom hebben we nooit kunnen testen of deze vaccins mensen daadwerkelijk beschermen tegen SARS.”

De vraag is of we nog wat hebben aan die oude SARS-vaccins. Immers: SARS-CoV2 lijkt veel op het SARS-virus. De WHO maakte een inventarisatie van het eerdere onderzoek naar coronavaccins. Dat leverde wel 33 kandidaatvaccins op tegen SARS en zelfs 51 kandidaatvaccins tegen MERS. Dat lijkt een rijke oogst, maar van die vaccins is nog geen enkele op de markt. Bovendien staan rijp en groen door elkaar. Sommige zijn alleen op celkweken getest, andere zijn al in diermodellen getest. Het zou het proberen waard zijn om te testen of de antistoffen die ze opwekken ook bescherming bieden tegen het nieuwe coronavirus.

Handvol kandidaatvaccins

Maar zou je dan niet net zo goed meteen een nieuw, toegespitst vaccin tegen het nieuwe coronavirus kunnen maken? Dat is namelijk het werk niet, want met de genetische code van het virus kan binnen enkele weken tot een maand een nieuwe vaccinkandidaat gemaakt worden. Sterker nog: onderzoekslaboratoria en farmaceutische bedrijven wereldwijd zijn daar al mee begonnen. Over een paar maanden zal er naar verwachting een handvol kandidaatvaccins beschikbaar zijn, specifiek tegen het nieuwe coronavirus. Maar dan begint het pas, want de meeste tijd voor de ontwikkeling van een vaccin gaat zitten in het onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit ervan. Dat is bovendien ook heel duur onderzoek, met een groot afbreukrisico. De Wereldgezondheidsorganisatie wil het onderzoek gecoördineerd aanpakken om de ontwikkeling te versnellen en de kans op succes te vergroten. Daarin speelt ook de Coalition for Epidemic Prepraredness Innovations (CEPI) in Oslo een vooraanstaande rol. CEPI brengt farmaceutische bedrijven en uitvoerders van klinische studies bij elkaar, en financiert het onderzoek.

De mooiste oplossing zou zijn als het lukt om een platformtechnologie voor vaccins te ontwikkelen, zegt de Utrechtse viroloog Berend-Jan Bosch. „Daarbij maak je een standaard dragervaccin dat je uitgebreid test op veiligheid. Als er dan weer een nieuwe infectieziekte opduikt, hoef je er alleen maar een karakteristiek stukje van het nieuwe virus aan toe te voegen. Het aantal proeven dat dan nodig is om te zien of het vaccin veilig is kan zo enorm worden verminderd. Daarmee kun je de ontwikkelingstijd van nieuwe vaccins drastisch verkorten.”

Een versie van

dit artikel

verscheen ook in

NRC Handelsblad
van 29 februari 2020

Een versie van

dit artikel

verscheen ook in

nrc.next
van 29 februari 2020

Read More

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *